Posts tonen met het label Aantekeningen uit Zambia. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Aantekeningen uit Zambia. Alle posts tonen

zondag 26 februari 2012

In den Beginne Was het Plan


Boeren in Zambia: aflevering 2. Hoe wij begonnen met landontwikkeling en herstel in 2008.


Onbewerkt land van Lot no 3.

Wij hebben een stukje land van bijna acht hectare. Het heeft grofweg de vorm van een parallelogram met langste zijde van zo’n 360 meter en de kortste is zo’n 230 meter. We hebben Lot 3 in October 2008 gekocht, vooral vanwege de gunstige ligging direct aan de grote weg van Choma naar Lusaka. Het land was uitgeput vanwege jarenlang éénzijdig gebruik (mais en pinda’s), er stonden nog maar twee grote bomen (de rest was gekapt om er houtskool van te maken) en dan was er nog een hoek met struikgewas en jong geboomte. In het kale gedeelte waar voornamelijk mais verbouwd werd liggen wat termitenheuvels met dicht struikgewas, als groene eilandjes in de zandwoestijn. De laag aarde is dun, op sommige plekken niet meer dan een dertig cm. Daaronder ligt grint en daaronder gesteente. De aarde is zanderig met hier en daar iets leemachtigs. Het enige dat er met groot enthusiasme op wilde groeien waren diverse grassoorten.

Lot 3 of Harmony Settlement Scheme.
De (eerste) natuurlijke agrarische bestemming van dergelijke grond ligt dan ook in het houden van koeien, in een struik of bosachtig weiland. Maar dat heeft weinig zin op 8 ha. Wij hebben een regenseizoen van november tot april, de rest van het jaar is het droog. Voor koeien heb je dus veel land nodig. Het een bottomline option, voor het geval je eigenlijk niets landbouwerigs wil doen; maar ook dan heb je een verzorger nodig, een kraal en een afrastering.

Met het land namen we ook Milner over. Milner was de landarbeider van de vorige eigenaar, een Zambiaanse dame. Zij betaalde hem niet, reden waarom de bomen van Lot 3 verdwenen waren in de vorm van houtskool. Milner had zijn eigen erf met nogal miserabele behuizing. Hij sprak geen engels, maar beheerste de gangbare manieren van mais verbouw en had de practische vaardigheden van een Tonga dorpeling. Hij was in lompen gehuld, at slecht en zijn leven bestond voornamelijk uit ontberingen.

Milner vanaf dag 1 was de “caretaker” en los-vaste arbeider. Wij gaven hem een maandelijks inkomen (overeenkomend met het loon van een landarbeider op een commerciële boerderij), aangevuld met een fors voedselpakket dat in het grootste deel van zijn voedselbehoeften voorzag. Bovendien had hij zijn eigen huisje met erf, een een stuk grond om te verbouwen. Hij was nu beter af dan sedert jaren het geval was.

Mijn persoonlijke agrarische ervaring beperkte zich tot kippen, de groentetuin en wat fruitbomen; en dat gold ook voor mijn echtgenote. Lot drie was groter dan wat we ooit gedaan hadden en ook anders. Eén reden om te gaan winkelen bij de Conservation Farming Unit (CFU, zie aflevering 1 van Boeren in Zambia) voor ideëen; en dan was er natuurlijk het onvolprezen Internet.

Het eerste dat ik deed was het maken van een Plan. Geen bedrijfsplan, maar een grond-bestemmings-plan. Dit plan stopte ik in de computer, als een “spreadsheet” en daar kon ik dan mee spelen. In dit 2008 plan werd het land opgedeeld in:
1.      Drie aangrenzenden delen van elk 1 ha voor het verbouwen van gewassen zoals mais, zonnebloem, pinda’s en soyabonen; het zogenaamde cash crop gedeelte. Hier kon dan wisselbouw toegepast worden.
2.      1 gedeelte van ruim 1 ha voor fruitbomen; eventueel in combinatie met het houden van pluimvee of varkens.
3.      1 gedeelte van 0.6 ha voor gebruik van arbeider(s).
4.      1 gedeelte van 1 ha voor privee behuizing en eigen werkruimten.
5.      Reserveringen voor groentetuinen, cassave en koffie; bij elkaar ongeveer 1 ha.
6.      Een “rest gebied” van ongeveer 1,5 ha. Dit is voornamelijk onvruchtbaar land vanwege de zeer dunne grondlaag. Dat is gereserveerd voor toekomstige bebouwing, landschappelijk schoon, en graasgebied voor 2 stuks vee.  

Bij het Grond-Bestemmings-Plan hoort een activiteitenpakket, het uit te voeren programma. Voor seizoen 2008-09 oftewel jaar 1 hadden wij nu het volgende programma:
                    I.            Binnenhalen van informatie en uitproberen van ideëen.
                  II.            Afbakenen van het terrein in secties volgens het Grond-Bestemmings-Plan.
                III.            Het prepareren van een deel van het cash crop gebied en planten voor het te laat was.
               IV.            Het (her) bebomen.
                 V.            Het planten van fruitbomen (“seedlings”).
               VI.            Het planten van cassava.
             VII.            Prepareren voor groentenverbouw, inclusief watervoorziening.
           VIII.            Aanschaf landbouwwerktuigen en gereedschappen.
                IX.            Het afrasteren van het gebied met prikkeldraad.
                  X.            Opzetten administratie.


De beschrijving van de uitvoering van deze werkzaamheden is het onderwerp van de volgende aflevering.


dinsdag 31 januari 2012

Roddel en Staatsgeheimen


Aantekeningen uit Zambia. No 11: Wat door de overheid niet openbaar gemaakt wordt, wordt door de burger bedacht.
Wij Zambianen zijn een achterdochtig volk. Als we ergens het fijne niet van weten nemen we aan dat de boel niet pluis is. Wij houden ervan het meest bedenkelijke scenario voor waar aan te nemen. Bij voorbeeld:
        “Die Muna, van de Mulenga’s, is geaccepteerd door de Universiteit van Zambia.”
        “Muna? Ik wist niet dat dat zo’n intelligente jongen was. Hoeveel punten1 had-ie voor zijn eindexamen?”
        Zijn ouders zeggen 6, maar daar geloof ik niets van. Je weet dat de broer van Mulenga in de Examenraad van Zambia zit?”
        “Nee, dat wist ik niet. Oh.....  zit dat zo? En hoe doen zij dat dan met het studiegeld? Ik dacht toch niet dat de Mulenga’s het zo breed hebben. Wat doet hij ook alweer? Oja, boekhouder bij het waterleidingbedrijf.”
        “Zelf zegt-ie dat-ie accountant is. Eigenlijk is-ie niet meer dan een kassier.
        “Kassier?”
        “Zeker, er gaat heel wat geld door zijn handen. Hij zegt dat zijn vrouw wat handeltjes drijft. Daar moet dat studiegeld vandaan komen.”
        “Dat moeten dan wel flinke handeltjes zijn. Zes miljoen Kwacha per trimester2 is een heleboel geld. En waar handelt zij dan in?”
Enzovoorts.
Soms is er wel aanleiding voor speculatie en zelfs kwaadsprekerij. Gedurende het presidentschap van de heer Chiluba (1991-2001) gebeurden er in toenemende mate dingen die het daglicht niet konden verdragen, of die de regering in een kwaad daglicht zouden stellen. Daar was de aanslag in 1997 op Kenneth Kaunda, de eerste president van Zambia (1964 -1991), en Roger Chongwe te Kabwe. Hierbij scheerde een kogel over de schedel van KK en een andere ging door de zijkant van de nek van Chongwe. Hoewel het wel duidelijk is wie daar achter zaten heeft de overheid zelve nooit in het openbaar schuld bekend, ondanks de veroordeling door een rechtbank van de Verenigde Naties in de rechtszaak aangespannen door Roger Chongwe vanwege bovenhavige schietpartij.
Een ander merkwaardig geval was de dood van Baldwin Nkumbula. Hij kwam om het leven doordat bij een auto-ongeluk de ruit zijn nek doorsneed. In dat zelfde ongeluk was zoon Castro van voornoemde Chiluba betrokken. Het is nooit duidelijk geworden wat zich precies heeft voorgedaan – of moet ik zeggen dat de officiële versie van het gebeuren door weinigen geloofd wordt? Baldwin was iemand met geld, politieke aspiraties en een onbedaarlijke behoefte aan alcohol. Zijn vader behoorde tot de nationalistische leiders ten tijde van de onafhankelijksheidsbeweging. Het geld kwam uit de mijnbouw en handel in smaragd.
Dan is er het geval van de geweldadige dood van een official betrokken bij de betwiste presidentsverkiezingen van 1996. Doorzeeft met kogels aangetroffen in het N’gulube Hotel te Mongu. Wist hij teveel en was hij van plan zijn kennis openbaar te maken? En hoe zit het met dat spontaan ontploffende geweer van prominent advocaat Edward Shamwana? Of die minister van financiën die aan zijn voordeur werd dood geschoten? Zo is er een behoorlijke lijst van niet opgeloste dan wel duistere zaken die voeding geven aan een onweerstaanbare neiging tot in de regel negatieve speculatie.

Terwijl ik dit schrijf viert voetbal hoogtij op het Afrikaanse continent. De Africa Cup of Nations speelt. Het gaat goed met het Zambiaanse team. Zij hadden zich gekwalificeerd en zijn vervolgens nummer één in de eerste ronde geworden. De vooruitzichten in de kwartfinale zijn ook goed. De chipolopolo boys spelen tegen Soedan en, normaal gesproken, horen deze boys te winnen.
Jaren geleden vond  de Africa Cup in Gabon plaats. Ook toen had het nationale Zambiaanse voetbal team zich gekwalificeerd. Zij zouden echter niet spelen. Het vliegtuig waarmee zij vervoerd werden stortte vlak voor de kust van Gabon neer, er waren geen overlevenden. Er werd een onderzoekscommissie ingesteld. Hun rapport is nooit openbaar gemaakt. Het vliegtuig waar het team in zat was van de Zambiaanse luchtmacht, één van de drie Buffaloos die de Zambia Air Force bezat. Het waren oude toestellen die niet meer geschikt waren voor zo’n lange vlucht. Of wat het maar geweest moge zijn..........
Het laatste voorval in deze reeks van niet- of wan-informatie betreft de huidige president. Die zou, volgens een aanhoudend gerucht, overleden zijn. Jij zegt dat het onzin is, maar nee hoor – de sensatie valt een stuk beter, en wordt bestendigd doordat inderdaad één van zijn voorgangers, ene Mwanawasa, allang dood was voordat die gebeurtenis officieel bekend gemaakt werd. Het rumoer ebt weg en in zijn plaats komt een formeel vermeld "feit" (de president leeft, leve de president) dat evenwel net zo luchtbellerig ervaren wordt als het rumoer dat het vervangt, op het zelfde niveau zit, zodat het onderscheid tussen feit en fictie er nauwelijks meer toe doet. Waar ging het ook al weer om? O ja, het gaat om het verhaal. Dat moet onderhoudend zijn.
*  *  *
1          Eén is het hoogste eindexamen cijfer. Je hebt zes verplichte vakken. Zes punten halen is dus het hoogst bereikbare voor het middelbare school eindexamen.
2      Een jaar aan de Universiteit in Zambia heeft drie trimesters (zoals alle scholen in Zambia). Als je student bent, betaal je per trimester. Dat was het afgelopen jaar rond de zes miljoen Kwacha (ongeveer € 1,000). Per jaar dus ZMK 18 m oftewel ruim driemaal het jaarlijkse minimumloon. Het studiegeld moet op de voorhand betaald worden, niks geen studiefinanciering. Hard geld. Daar komen kosten voor studiemateriaal, recreatie, vervoer &c. bovenop. Klachten over het systeem in NL jongens en meisjes?

zondag 29 januari 2012

Het Uitgestreken Dienstmeisje


Aantekeningen uit Zambia. Aflevering 10: Over al het werk dat het in dienst hebben van een huishoudelijk iemand met zich meebrengt.
Wij hebben hier in en aan huis in volledige dienst een hulp-in-de-huishouding, een nachtwaker en een tuinman. Af en toe wordt er ook voor een hele of halve dag een strijkster in gehuurd. U zou uit dergelijke gegevens kunnen afleiden dat wij buitengewoon welgesteld zijn. Was het maar waar!
Zeker, wij behoren ook niet tot de armste categorie van ingezetenen. Laten we zeggen dat wij tot de 2,5% lokale bovenlaag behoren. Economisch gesproken. Ook daar hoef je je niet al te veel bij voor te stellen – met zo’n € 500 per maand zit je al in de onderkant van die club.
Ook veel mensen die niet in die bovenste 2,5% zitten hebben huishoudelijk personeel, in de een of andere vorm. Hier zijn geen accurate gegevens over beschikbaar.  Voltijds tuinlieden heb je alleen aan de bovenkant, en hetzelfde geldt voor de nachtwaker. Wanneer je, zoals wij, een flink erf hebt waar je ook nog van alles op doet dan heb je een tuinman nodig. Wanneer je, zoals wij, over wat bezittingen beschikt dan heb je een nachtwaker nodig. Zo is dat hier nu eenmaal.
De maandelijkse kosten van dit drietal zijn in de orde van de € 300, inclusief de uitkeringen bij afloop van het contract. Een deel van deze uitgave wordt direct terug verdiend in de vorm van groenten, fruit en kippen. Een deel wordt indirect terug verdiend in die zin dat als mijn vrouw of ik die betaalde arbeid in tuin of huis zelf zouden moeten doen dat meer kost.
Onze huishoud dame is, zou ik zo zeggen, rond de 25 jaar oud. Zij begint om 7.30 des ochtends en keert om 17.00 uur huiswaards. In de tussentijd behoort zij het huis schoon te maken, de bedden op te maken, het middagmaal te koken en gewassen kleding te strijken.
 Zij spreekt een beetje engels maar daar kan je echt niet van op aan. Als je iets uitlegt, bij voorbeeld hoe het strijkijzer werkt, en vervolgens vraagt: “Do you understand this?” is het antwoord onvermijdelijk “ja.” Vervolgens gaat zij onvervroren door met het mishandelen van het strijkgoed, gewoon op de manier waarop zij het gewend is.
De Zambiaan die zegt: “ Dit kan ik niet,” of “Dit begrijp ik niet” moet nog geboren worden. Dit gaat verder dan problemen met het engels. Ook bij het aanwenden van een inheemse taal, zoals het veel gebruikte chinyanja, krijg je “ja” te horen wanneer het “nee” zou moeten zijn.
Het Nieuwe Strijkijzer.


Thuis strijkt ze met een houtskoolijzer, daar zitten geen knoppen aan die de temperatuur van het strijkvlak regelen en de stoomafgifte. Maar ook knoppenloos strijkt onze Trinicy thuis verschillende soorten goed, die tevens verschillende strijkijzer temperaturen vergen. Trinicy, vermoed ik, is geen strijkend licht. Maar ik weet zeker dat zij er geen gewoonte van maakt om haar eigen kleding bij het strijken te verbranden, ook al is het regelen van de temperatuur met een houtskoolijzer een stuk moeilijker dan bij onze Philips. Waarom doet zij dat dan wel bij ons?
Op de verpakking van het gloednieuwe apparaat staat “SIMPLE, EFFICIENT, FAST” - een slagzin die aan Trinicy voorbij gaat. Zij vindt het ding helemaal niet eenvoudig. Toch heeft-ie maar twee bewegende delen. De ene is een draaiknop voor de temperatuur. Onder de knop staat aangegeven welke stand bij welke stof hoort. Kan zij lezen? Zij kan zeker eenvoudige tekst lezen. Begrijpt zij dat “nylon” de stand is voor synthetische vezels? Dat moeten we morgen even nalopen. Laat zij het apparaat afkoelen na het schakelen naar een lagere temperatuur alvorens te strijken? Ook dit moeten we even nalopen. En tenslotte: kent zij wel het onderscheid tussen katoen en synthetisch materiaal? Dat zou wel zo moeten zijn maar je kan je met gemak allerlei grensgevallen voorstellen waarbij het niet zo éénduidig is. Dan moet je naar het label kijken en de vraag is of zij dit initiatief ontwikkeld heeft. Eén van Nchimunya’s fraaiste jurken is nu voorzien van de indruk van het strijkijzer. Die jurk is duidelijk van synthetisch materiaal – daar hoef je geen label voor te lezen.
Trinity’s antwoord op deze technische problematiek bestaat uit ontwijking. Zij strijkt niet meer. Er ligt een berg ongestreken goed in de bergkamer. Als zij noodgedwongen toch moet strijken – de jongens moeten elke schooldag een schoon gestreken uniform aan -  dan doet zij dat met de oude machine. Die warmt niet goed op en de afdeling stoom doet het niet. Dat was nu juist de reden waarom we een nieuwe gekocht hebben. Het zou kunnen dat het stoomblazen toch de oorzaak van het probleem is – misschien denkt zij wel dat dat er niet bij hoort. Kom daar maar eens achter, met dat gebruikelijke ja-knikken. Begrijp je hoe het stomen werkt? Ja meneer. Begrijp je niet hoe het stomen werkt? Ja meneer.
In Nederland had/heb je de huishoudschool. Die was/is voor meisjes die niet geschikt zijn voor het algemeen middelbaar onderwijs. Dit soort van onderwijs, lager beroepsonderwijs, bestaat nauwelijks in Zambia. Je hebt lagere school, dan één soort algemeen vervolgonderwijs (aangeduid als “Form 5”)en dan heb je hoger beroepsonderwijs. Om daarvoor in aanmerking te komen heb je een volledige middelbare school nodig. Scholen als de voornoemde huishoudschool, de technische school of de lagere landbouwschool zijn er nauwelijks of niet en dit is één van de voornaamste redenen waarom het niveau van het praktische vakmanschap in Zambia in het algemeen bedroevend laag is. Er zijn automonteurs, timmerlieden, loodgieters, schoonmakers en koks. Er is werk voor ze. Maar de meesten hebben het vak op straat geleerd. De één doet het beter dan de ander, maar zonder uitzondering zitten er allerlei gaten in de kennis en de kunde. En daar sta je dan aan de kant van de weg met net gerepareerde maar toch oververhitte  auto; het stoom ontsnapt sissend uit de nieuwe doch niet langer hermetisch gesloten radiateur. Of thuis met een lekkend strijkijzer. Maar zo ver is het nog niet.....
Zo’n huishouddame is dus een hoop werk. Deze, de laatste in een lange reeks, steelt niet. Dat is een hele grote plus. Haar voorgangster zou gezegd hebben dat Trinicy te stom is om te stelen.
En over dat gebrek aan geschoold vakmanschap, daar staat ook iets positiefs tegenover. Dat is een uitgebreid vermogen voor geïmproviseerde oplossingen; een manier van doen die met bush engineering wordt aangeduid. Hoe lang zo’n oplossing het blijft doen, en wat de vaak ongewenste neven effecten zijn, is een open vraag.  Dat is het onzekerheidsprincipe, ook wel de z-factor of zamfactor genoemd, dat een fundamenteel aspect is van het leven hier. Als je daar niet mee uit de voeten kan ben je beter in Nederland af. Daar zijn tienduizenden zeer goed betaalde hoogopgeleiden lieden die met elkaar niet in staat zijn pensioenfondsen te beheren of de Eurozone van een financieel betrouwbaar aanzien te voorzien. Dat soort geklungel wordt niet als "bush engineering" omschreven. Ik houd het dan maar gewoon op geklungel. Misschien dat u er een beter woord voor heeft?

dinsdag 3 januari 2012

Meer Ontroerend Goed


Aantekeningen uit Zambia no 9: Waarin meer over malversaties van hoge gemeentelijke ambtenaren die het onderste uit de kan wilden halen. Krijgen zij nu het deksel op hun neus?

In aflevering 4 van Aantekeningen uit Zambia getitled Ontroerend Goed verhaal ik hoe ene M. zich te buiten is gegaan aan allerlei malversaties de uitgifte van gemeentegronden en die van anderen betreffende. Hier meer achtergrond en een vervolg.
De uitgifte van grond voor bebouwing geschiedt in veel gemeenten in Zambia voornamelijk door de betrokken gemeente die eigen grond verkaveld en te koop aanbiedt. Het bouwen van huizen is de lievelingsinvestering van vrijwel elke Zambiaan met inkomen. Eerst voor eigen bewoning en vervolgens als huurwoning of bedrijfspand voor derden. De redenen zijn volledig steekhoudend: er is in het algemeen geen betere belegging voor handen. Geld vastzetten op de bank levert nauwelijks iets op – met enig geluk maakt de rente het waardeverlies door inflatie net goed; beleggen in aandelen is hier niet ontwikkeld voor de gewone man of vrouw; en het houden van vee is zeker voor stadsmensen een moeilijk in de hand te houden belegging. Het rendement van een woning in de vorm van huur is hoog: tussen de 7 en de 15% van de verkoopwaarde van het pand. Zelfde verhaal voor bedrijfspanden. Zodra iemand wat geld gaat verdienen bouwt of koopt hij zijn eigen huis. De bouwsector in Zambia floreert. Elk plaatsje wordt groter en groter, aldoor komen er nieuwe wijken bij, overal wordt gebouwd.
Om een huis te kunnen bouwen heb je grond nodig en de goedkoopste bouwgrond komt van de gemeente middels de periodieke uitgifte van gemeentelijke gronden. Die openbare gronden worden zonder uitzondering een fors stuk onder de riëele marktwaarde verkocht. Zo kon je een paar jaar geleden inschrijven op een plot in een nieuwe buurt voor “welgestelden” (de betere middenklassers) voor rond de € 300. Daarmee had je dan een goed gelegen stuk grond verworven van zo’n 30 x 50 m2.  Het is dus dringen geblazen, elke keer wanneer de gemeente grond uitgeeft.
Hier ligt dan ook de kiem van allerlei misstanden. Een fors aantal mensen koopt gemeentegrond helemaal niet om zelf te gaan bouwen. Zij doen er niets mee totdat de nieuwe wijk vorm begint aan te nemen en bieden hun kavel dan te koop aan tegen 5 tot 10 maal het bedrag dat zij er voor betaald hebben. De inflatie in Zambia is sinds jaren stabiel en schommelt rond de 10% op jaar basis. Het verkrijgen en doorverkopen van onbebouwd gemeente land is dus behoorlijk winstgevend.
Waarom zijn die gronden zo goedkoop? Ik vermoed dat dit nog een historische erfenis is van het Kaunda tijdperk (president 1964-1991). Onder KK, zoals hij meestal genoemd wordt, mocht formeel geen geld gevraagd worden voor grond. Grond was en bleef staatseigendom, alleen verkrijgbaar door een soort erfpacht met een looptijd van 100 jaar. Waar de “grondeigenaar” wel geld voor kon/kan vragen betreft aangebrachte verbeteringen zoals bebouwing, hekken, waterputten &c. Tot recentelijk betaalde je behoudens het inschrijvingsgeld alleen een symbolisch bedrag voor door de overheid aangeboden grond. Grond, in deze socialistische ideologie, had geen “marktwaarde” en was buiten het op vraag en aanbod gebaseerde markt mechanisme geplaatst. Grond voorzien van een overheidsaanbod (Offer of Land) of beter nog, een kadastrale acte, had natuurlijk in praktische zin wel “marktwaarde” omdat er mensen waren die verkochten en kochten. Het gesjoemel met het kopen en verkopen van door de overheid uitgegeven land bestaat dus ook al decennia. Het heeft nu een wat pikantere vorm aangenomen omdat gemeentelijk overheidsland schaars geworden is. De vraag groeit maar het goedkope aanbod op termijn wordt steeds kleiner.
In 1991 verdween met KK zijn staatsideologie, humanism geheten. Humanism is een soort socialisme waarin de mens centraal staat. Het Humanisme à la Kaunda maakte plaats voor liberalisering; politiek en economisch. De economie moest gedreven worden door het marktmechanisme van vraag en aanbod; bedrijven moesten geleid en bezeten worden door ondernemers en investeerders; en niet langer door de staat. Tijd, zou je zeggen, om de vraagprijs voor gemeentelijke grond aan te passen aan de vraag en de koopkracht. Waarom is dit maar zeer ten dele gebeurd? Waarom vroeg de gemeente geen K 5 millioen in plaats van K 2 millioen voor die gunstig gelegen kavels van 30 x 50 m2. Omdat het hemd nader dan de rok is, denk ik. Het hemd is het eigenbelang en de rok is het belang van de gemeente. Waarom zou je jezelf straffen met veel te betalen voor iets dat je ook goedkoop krijgen kan? Elkeen deel uitmakend van de plaatselijke ons-kent-ons midden- en bovenlaag had voordeel bij de bestaande situatie; en diegenen die van binnen uit wisten dat de mistanden betreffende landuitgifte ontaard waren in regelrechte fraude en oplichting hielden hun mond.
M. dreef de zaken te ver door en dat werd zijn ondergang, althans als overheidsambtenaar. Hij ging land uitgeven aan invloedrijke mensen dat helemaal niet van de gemeente was. Het land tussen het spoor en de grote weg. Tot 50 meter van het spoor mag niet gebouwd worden, vanwege de veiligheid. Tot 20 meter van de grote weg mag ook niet gebouwd worden, eveneens voor de veiligheid alsmede voor toekomstige voorzieningen. Een paar van deze mensen heeft veel geinvesteerd in gebouwen die er niet behoren te zijn. Die zijn nu in de problemen gekomen. Het aantal “kleine luiden” die hij dezelfde kavels toekende is uit de hand gelopen. Sommigen van deze kleine luiden behoren tot organisaties die helemaal niet klein zijn. Hij verkavelde land dat reeds aan de roomskatholieke kerk behoorde, met een goed gekeurd ontwikkelings plan, en verkocht het. Toen de kerk wilde gaan bouwen bleek het terrein reeds vol te staan met niet rk woningen. Er begon een anti-M. stemming te ontstaan die nog aangescherpt werd door het in het oog springende bouwerk dat M. zelf aan het oprichten was, tussen het spoor en de Grote Weg Noordwaards. M. werd een paar maanden geleden geschorst vanwege financiële malversaties. De RK kerk heeft hem voor het gerecht gehaald. De zaak loopt nu.
Daar bleef het niet bij. Sinds October 2011 heeft Zambia een nieuwe regering. De MMD, aan de macht sedert 1991, heeft verloren, en daarmee is het netwerk met de hogere regionen weggevallen. Het Ministery of Local Government and Housing, eens zelf bezet door de huidige president, heeft ingegrepen. Niet alleen vanwege onverantwoorde landuitgiften. De centrale overheid heeft maandelijks geld gegeven door de centrale overheid voor weg en wegen onderhoud (€ 23,000 per maand). Het geld is wel op maar wegonderhoud heeft niet plaats gevonden. Er is een waslijst van discrepanties boven komen drijven. Percelen waar voor betaald is maar reçutjes zijn niet te vinden. Accountants gaan door de boeken; vier hooggeplaatste ambtenaren zijn naar huis gestuurd in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Waaronder de town clerk, de hoogste plaatselijke ambtenaar. Hij had zichzelf een maandelijks salaris gegeven van K 28.000.000 (€ 4.300) en daar boven op, naar verluid, een wekenlijkse “entertainment allowance” van K 2.000.000 (€ 300). Dit zijn inkomens die maar heel weinig mensen in Zambia verdienen. Ja, op die manier komt het geld van de gemeente wel op...... De vrouw van de Directeur Planning heeft een schoollokaal voor haar particuliere lagere school gebouwd op land dat niet van haar zou zijn. Haar man is de planningbaas........ Er zijn dus vragen hoe de bouwvergunning uitgegeven kon zijn. En ook M. gaat nu opnieuw onder de loup.  Dit keer zonder maten die elkaar matsen en hem de hand boven het hoofd houden.

woensdag 12 oktober 2011

Het Recht Moet Zijn Loop Hebben

Aantekeningen uit Zambia. Afl. 8: Over verloedering, intriges en corruptie in een Zambiaans provincieplaatsje.
Zolang er maar water uit komt.......
Peter is een wat oudere mijnheer die door een Duitse ontwikkelingsorganisatie geplaatst is bij het lokale waterbedrijf. Hij is financieel/economisch adviseur.
Hij leek, buiten het werk, een vrolijke frans te zijn die zich in de lokale nachtclubs vermaakte met veel alcohol en nog meer lokale dames.
Voorheen werkte hij in Moçambique. Daar was Peter tegen een plaatselijke schoonheid aangelopen, Soe. Hij trouwde met haar. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren. Het eerste kind is nu acht jaar oud. Zij is even donker als de moeder en volbloed afrikaanse. Peter kon de biologische vader niet zijn. Àla, Peter was niet kleinhartig en stapte daar over heen. Het tweede en jongste kind uit dit huwelijk had wel de huidskleur en andere lichamelijke kenmerken van een gemengd blank-donker biologisch ouderschap.
Soe had geen werk. Zij hing thuis rond met de kinderen, schold ze naar hartelust uit en als dat niet goed genoeg was dan konden ze een forse pats om de oren krijgen. Gelukkig behoorde zij wel tot een kerkgenootschap en daar ging zij trouw elke zondag naar toe. In de kerk leerde zij M. kennen. (Nee, niet die M. van de corrupte landuitgifte uit een vorige aflevering! Wij hebben stapels M’s! Maar voor het gemak, en om ze beter uit elkaar te houden, laat ik deze authentieke autochtoon Bolle Macha noemen). Macha en het Moçambicaanse zonnetje konden het goed met elkaar vinden, op die zondagen, en lieten de religeuze beleving tot diep in de avond voortduren.
      “Ach,” verklaarde Soe, “als hij het doet, uitgaan en laat thuiskomen, waarom ik dan niet? Luister wat mij overkomen is. Iemand belt me laat op en zegt dat mijn man in Leon’s Lodge is met een meid. Ik er op af. Taxi geboekt. Dat kost allemaal geld. En ja hoor,  wie betrapte ik daar?!”
     Ja zeker (surprise, surprise!), haar eigen Peter met één van die sloeries van de nachtclub. Of waren het er meer?
      “Hij ook, ik ook!” verklaarde Soe. Het was duidelijk, deze dame hield van symmetrie.
Peter had ook een relatie met Bolle Macha. Bolle was zijn baas, het opperhoofd van het waterbedrijf.
De Duitse OS (= Ontwikkelings Samenwerking) is al vele jaren bezig met de watervoorziening in Zambia, en met name in de zuidelijke provincie. Daar waren hele goede redenen voor: het was slecht gesteld met de watervoorziening en genoeg goed water behoort tot het rijtje basisvoorwaarden voor een Aanvaardbaar Algemeen Beschaaft Bestaan, de zg. A.A.B.B. norm.  Er  werd fors veel Duits geld in de watervoorzieningen gepompt ten einde de noodzakelijke kapitaalsinvesteringen te kunnen plegen en er werden technische deskundigen ingezet die vooral moesten nalopen of de projecten naar wens verliepen inclusief het financiele beheer en het bestuur in het algemeen. (Terzijde: Deze inspanningen hebben wel zeker resultaat opgeleverd. Alleen bij uitzondering is het kraanwater nu echt smerig, bij voorbeeld na de eerste regens van het seizoen. Een paar jaar geleden was dat anders. Toen was het kraanwater alleen bij uitzondering zichtbaar schoon. Ook zonder eerste regens kon het zo donker als koffie uit de kraan komen). Het provinciale waterbedrijf werd gereorganiseerd en geherstructureerd: was het bedrijf voorheen opgebouwd als een overheidsbedrijf werkzaam in een aantal gemeenten, nu is het “in principe” een zelfstandig bedrijf.  Waarin echter de gemeenten nog steeds veel te zeggen hebben middels de Raad van Bestuur. Het is dus geen echte zakelijke onderneming en ook geen echt overheidsbedrijf, het zit er tussen in. Het gebrek aan wat hier “transparancy and accountability” heet,  zoiets als doorzichtige financiële verantwoording -  een gebrek eigen aan vele lokale overheidsdiensten - is ook na de hervormingen niet weg te branden uit het waterbedrijf. Waarom? Niet zo naif lezer: ook in Zambia weet men heel goed dat het dom is om de kip te slachten die de gouden eieren legt; en dat met hoe meer mensen je de cake deelt, des te kleiner de stukjes worden.
Het directeurschap van het waterbedrijf of van één van de gemeentelijke takken was en is een lucratieve functie. Zelfs al is er nu controle op de manier waarop de bedrijfsleiding het geld uitgeeft, dan heeft een directeur nog steeds speelruimte om naar eigen goeddunken te bepalen waaraan dat gebeurt - één reden waarom Bolle Macha in een pracht van een 4WD kan rondrijden. Nu is het waar dat Macho een stevige, grote auto nodig heeft. Zijn omvang is zo enorm dat hij onmogelijk in een klein autotje kan gaan zitten en zijn gewicht maakte het ook zeer wenselijk om een stevige wagen met Xtra solide schokbrekers te hebben. Waarlijk, een gewichtig mens.
 
 
Peter is (bij mijn weten) de derde ontwikkelingsdeskundige die op financieel-economisch gebied met het waterbedrijf moest samenwerken. De eerste was binnen een jaar vertrokken nadat hij aan zijn opdrachtgevers gemeld had dat de hele top van het bedrijf gesaneerd moest worden -  geld in een bedrijf pompen met zoveel rotte appels erin was water naar de zee dragen, bij wijze van spreken. Zijn opvolger pakte het wat diplomatieker aan waardoor er een beperkte schoonmaak doorgevoerd werd – voldoende om de Duitse geldstroom en zijn baan te behouden. Totdat hij overgeplaatst werd, naar een ander deel van Zambia met alweer een slecht waterleidingbedrijf. Daar zijn er genoeg van. Peter, in overeenstemming met zijn verantwoordelijke functie, leverde adviezen over hoe het financieel beter kon; en zijn laatste advies was vertrouwelijk op schrift gesteld. Uit dat vertrouwelijke advies kon afgeleid worden dat het bedrijf leed onder financieel wanbeheer waar Macha verantwoordelijk voor was.
Gerommel binnenskamers bij het waterbedrijf was niets nieuws. De ontwikkelingen binnen het familieleven van Peter waren dat wel. Het Moçambicaanse zonnetje klaagde Peter, haar echtgenoot, aan bij de lokale politie vanwege seksueel misbruik van haar achtjarige dochter, het niet door Peter verwekte kind. Het kwam tot een rechtszaak, hier in Choma. Choma heeft een lagere rechtbank, het zogenaamde magistratenhof. Er brak natuurlijk reuze veel stannis uit. De lokale radio schonk ruim aandacht aan het sensationele gebeuren, het roddel & klets circuit draaide op volle toeren, Peter moest van zijn organisatie ophouden met werken totdat de boel opgelost was en Macha verhuisde de echtgenote van Peter en de twee kinderen naar Lusaka om opgevangen te worden door een organisatie die dames als Soe opvangt.
Peter ontkende de beschuldiging met kracht en wordt daarin gesteund door de medische verklaringen van de drie doktoren die het meisje onderzocht hadden, direct na de aantijgingen; en de verklaring van het meisje zelf, het vermeende slachtoffer. De artsen hadden geen letsel kunnen constateren dat onvermijdelijk aanwezig zou zijn geweest in geval van daadwerkelijke penetratie. Het meisje zelf ontkende dat Peter sex met haar gehad zou hebben.
 
 
Na een tijdje kreeg Soe genoeg van het leven in een tehuis in Lusaka; zij had geen geld, het eten was slecht en nu had ze de kinderen de hele tijd om zich heen want naar school gaan was er niet bij. Een zus van Macha nam contact op met Peter, teneinde een schikking te treffen. Het zonnetje, sprak zij, was bereid haar beschuldigingen in te trekken als Peter haar 200 miljoen Kwacha zou geven (ongeveer € 30,000) en de auto. Daarmee kon zij dan wel uit de voeten. Peter weigerde.
    “Dan lijkt het alsof ik toch schuldig ben,” verklaarde hij. Daarnaast is het ook zo dat, als het eenmaal zover gekomen is, hier de Aanklager het geding voert, namens het volk, of Soe daar nu door mee wil gaan of niet. Het recht moet zijn loop hebben.
En dus liep de aangespannen rechtszaak door. Afgelopen maandag was de uitspraak. Het hof, ondanks de afwezigheid van enig medisch bewijs, en de ontkenning van het meisje zelf, achte Peter schuldig. De ongetwijfeld respectable beweegredenen van het hof zijn mij niet bekend. Het kan ook zijn dat Peter wat strategische informatie achter gehouden heeft. Duidelijk is natuurlijk wel dat de optie voor een minzame schikking zoals hierboven vermeld open blijft – en dat de mogelijkheid voor Peter om het in Zambia lang genoeg uit te kunnen zingen om zijn recht in hoger beroep te halen steeds kleiner wordt...... Tja, en wat betreft die vertrouwelijke aanbevelingen voor een betere financiële huishouding bij het waterbedrijf, die zijn intussen wel uit het zicht verdwenen.
*     *    *
O, voor ik het vergeet, dit is natuurlijk een geheel fictief verhaal. Choma bestaat niet, het magistratenhof bestaat niet en het moçambicaanse zonnetje is met de noorderzon vertrokken......   Macha zit vast in de waterleiding en Peter is ondertussen aan een nieuwe vriendin begonnen die reeds de eerste tekenen van zwangerschap aan het vertonen is.


    L’Histoire se repète. Dat van die zwangerschap is echt niet waar, dat is een artistieke vrijheid ter wille van een beter verhaal. Wel echt is dat bij het hooggerechtshof de problemen opgelost zijn, wat Peter betreft, want de zaak is geseponeerd. In het beste geval vanwege niet toevankelijk verklaard. Maar daarover heeft Peter zich niet uit gelaten. Tot nu toe. Van Peter zien we ook niet veel meer. Hij is uit het zicht verdwenen. Met wie?

woensdag 31 augustus 2011

Ons Huishouden (1): Het Wassende Water

Aantekeningen uit Zambia: No 7. Over de geneugten van de wasmachine.......

Een huishouden in Zambia brengt in het algemeen meer werk met zich dan een vergelijkbaar huishouden in Nederland. Met vergelijkbaar bedoel ik een huishouden ongeveer hetzelfde aantal leden tellend in een huis van ongeveer dezelfde afmetingen. Wij hebben een fors erf, maar ons huis is niet groot. Woonkamer, 2 slaapkamers, eet/studeerkamer, voorraadkamer, badkamer, keuken + eetgelegenheid en een platje (=veranda). Het overdekte gedeelte bedraagt zo’n 155 m2 en dan is er zo’n 75 m2 aan veranda. Ik zou zeggen, naar Nl maatstaven, een middenmaat huis in zake het overdekte gedeelte.
Ons huis op perceel 92 met het jongste lid van het huishouden.

We hebben, wat huishoudelijke voorzieningen betreft, voor het koken een gasfornuis, een electrisch kookplaatje en ook een baula (houtskoolkacheltje). We koken meest op gas, uit een fles, zoals bij kampeerders, maar wel op een normaal fornuis. Het elektrisch kookplaatje is een soort backup voor als het gas op is. De baula is er als laatste mogelijkheid (gas op en geen stroom), alsmede voor het reguliere buiten koken en roosteren. We hebben heet en koud water uit de kraan. Het water wordt verwarmd in een boiler (die hier geyser heet, de NL geiser is in ZM een onbekend voorwerp). Dan hebben we ook een wasmachine die, hoewel nieuw, van een vreemd ouderwets ontwerp is, met aparte inlaten voor warm en koud water. Het ding, na uitpakken en installeren, bleek geen verwarmingselement te hebben. Dat zoiets vandaag-de-dag mogelijk was kwam niet in mij op toen ik het modern ogende object te koop aangeboden zag, in één van de plaatselijke winkels. Zoiets bedenken ze alleen maar in Zuid Afrika.
Wasmachine met toevoerslangen voor koud en warm water. En "Turbo Drum."
Het mechanische huishoudelijk hulp werktuig deed me denken aan het prille begin van mijn bestaan als Sociaal Volwassen Mens (SVM., dwz gehuwd “of daarmee gelijkstaand,” huis & baan hebbend, kind in aantocht). Bij de SVM status hoort een wasmachine, ook in Leeuwarden. Het was een uiterst solide machine, ook voor die tijd echter al ouderwets, tweedehands -  de vorige eigenaar had een echte automaat gekocht - en moest middels een slang van de keukenkraan gevoed c.q. bewaterd worden. De wasmachine bedoel ik, niet de vorige eigenaar. Hij/zij stond in de keuken. De keuken was onderdeel van een klein appartement dat naast die keuken ook een toilet, slaapkamer en woonkamer (met balkon) had. En een trap naar de voordeur. Beneden, gelijkvloers, op de begane grond, woonde een dame op leeftijd, eigenaresse van het pand in zijn totaliteit. Daar droeg ik maandelijks de huur af.

Het probleem met een dergelijke machine, toen, was dat je wel op tijd de kraan dicht moest draaien. Zeker als je op een eerste verdieping (of hoger) woonde. In mijn geval kon het niet hoger, het was gewoon de eerste verdieping. Na een aantal narrow escapes was het dan eindelijk zover. Bij het betreden van de keuken bleek te aldaar de vloer blank te staan. Dat was op zich al een klein wonder, dat zoveel water zich opgehoopt had boven de vloerbedekking die op de planken vloer lag. Bij nadere inspectie bleek dat een Iemand met vooruitziende blik, anticiperend vermogen dus, op de planken een plastic vel had gelegd, dat schade bij een geringe overstroming kon voorkomen of beperken. Dit was geen geringe overstroming. Het ging om emmers water die ik op moest dweilen. Mijn toenmalige partner, echtgenote no 1, was nog aan het bijkomen van de geneugten van mijn SVM status. Zij lag in bed met de net eerst geborene.
De huidige machine, in lijn met het idee dat wij (nog steeds) een technische evolutie beleven, heeft wel een ingebouwde stopknop (“sensor”) waarmee voorkomen kan worden dat het instromende water uit een kraan-alleen-voor-deze machine zonder enige hindernis zich ongebreideld over vloeren een weg kon banen naar allerlei oorden buiten de beperking van het wasmachine gebeuren om. Dat zit dus wel snor.
Hij/zij heeft ook allerlei lichtjes. Voor programma’s, specifike activiteiten, hoeveelheden water en was gewichten. Er is een heel toetsenpaneel aan de voorkant van de bovenkant. Als je het ding aanzet is het bijna alsof je naar de disco gaat, met al die knipperlichtjes. Hij gongt ook wanneer het programma er op zit en na een tijdje doet-ie dat nog eens, voor’t geval je de eerste muzikale uitbarsting miste.
Maar een unieke kraan voor heet water met aansluiting-per-slang-alleen-voor-de-wasmachine hebben we niet. Geen eens een slang vanuit de keukenkraan. Warm water moet nu handmatig per emmer aangedragen worden, vanuit de badkamer. De kans op overlopen is daarmee erg klein.
We hebben al besloten dat de volgende machine gewoon een duits merk moet zijn. Geen exotisch zuidafrikaans gedoe, met blanke baby geplakt op de turbo. Er stond een goede Bosch in het super-van-alles-te-koop-warenhuis Game genaamd, gelegen in de Manda Hill Shopping Mall, te Lusaka. Is maar 60 E duurder, oneindig veel beter en 300 km ver weg. Of zou het zo zijn dat een Bosch in Game geen duitse maar een zuidafrikaanse wasmachine is? Een wasmachine die lijkt op een echte Bosch, maar het niet is?!





donderdag 25 augustus 2011

Ons Erf (1)


Aantekeningen uit Zambia: no 6. De eerste aflevering over de grond van ons bestaan.

Ons huishoudelijke bestaan speelt zich af op een stukje land van 60 x 61 m. Zoiets heet hier een plot. Wij wonen op plot 92, te Choma, Zambia. In het nederlandse: dit is het 92ste stukje land in Choma dat kadastraal vast gelegd is.
Plot 92, Choma, Zambia

Eén reden waarom wij hier wonen is vanwege dat erf en de behuizing daarop. Dat vormt een van de grootste pluspunten van ons leven in Zambia. Dat je zo'n 1½ are hebt als levensruimte. Daar moest echter wel het een en ander voor gebeuren.

Het is een oud, maar ook weer niet echt oud, stukje gemeentelijke bebouwde grond in Choma. Ik kocht deze plot in 1995. Het oorspronkelijke huis op dit perceel is zo’n 40 jaar oud, was eigendom van één van de vele toenmalige semi-staatssbedrijven van Zambia en werd verkocht toen de “privatisering” van overheidsbedrijven of voormalige overheidsbedrijven volop aan de gang was. Ik had er US$ 16 000 voor geboden. De minimum prijs (“reserved price”) was USD 12 000. Ik wist op de voorhand dat mijn bod waarschijnlijk het hoogste bod zou zijn, en kreeg het.

Dat was niet vanzelfsprekend. De informele sector was al goed op dreef en dat beëinvloedde zaken als het toekennen van ter verkoop aangeboden panden ook al was je de hoogste bieder. (Terzijde: corruptie bij de overheid in Zambia kwam pas goed op gang na de verkiezingen van 1991 toen Zambia het multipartijen systeem aanvaardde en daarmee het UNIP tijdperk afgesloten werd). Een plot waar ik eerder op geboden had was om onduidelijke redenen aan mijn neus voorbij gegaan. Ook toen had ik fors boven de “reserved price” geboden. Dit keer zat ik er bovenop en hield contact met de makelaar die namens de overheid (dwz. de Zambian Privatisation Agency) alleen al in Choma tientallen panden aan het verkopen / verdelen was.

Als vervolg op bovenstaand Terzijde: Ik denk nu dat één reden waarom de drastische hervorming van de zambiaanse economie, zoals per voorwaarde voor verdere steun opgelegd door de Wereldbank begin 90’er jaren, daarin gesteund door het IMF &c., bijna geruisloos aanvaard werd door de toenmalige regering van Zambia, geleid door ene Chiluba, voortvloeide uit het kiene besef dat uit deze gigantische privatisering – en echt het was gigantisch, niet alleen “by local standards”  - eveneens tot gigantisch persoonlijk gewin kon leiden. Tel ze maar eens, de huidige “uppa mwamba’s” – de hogere heren - die hun bezit in die privatiseringstijd op een enorme manier deden toenemen. Zeker, als je toen geld had kon je dat profijtelijk beleggen in ontroerend goed. Dat is nog steeds zo – als je in dit land op eenvoudige wijze geld wil verdienen dan bouw of koop je panden en huurt die uit.
Terzijde bij dit tweede terzijde: Eerbiedwaardige lezer, leid uit het bovenstaande niet af dat ik mijn plot 92 voor een appel en een ei in handen kreeg. Mooi niet! Ik bood een fors stuk boven de riëele (toenmalige) waarde van plot 92, gewoon omdat ik het wilde hebben.
De standaard afmeting van een perceel in deze buurt was 30 x 60 meter, dit perceel had ongeveer de afmeting van een dubbele plot en dat was één van de redenen waarom ik er op bood. Een andere reden was dat ik schuin tegenover plot 92 woonde. Dat maakte het opknappen, bewoonbaar maken en opbouwen een stuk eenvoudiger.
De plot zelf was nogal miserabel gelegen want lag op de grens van en gedeeltelijk in een dambo, een laag gelegen stuk land dat in de regentijd onder water komt te staan.
Het huis dat er op stond ontbrak elke vorm van charme en was gebouwd volgens een standaard ontwerp van Openbare Werken, bestemd voor lagere middenklasse ambtenaren en dergelijke.
Aan de noordzijde lag in de regentijd een klein meer dat zich over de naburige percelen uitstrekte. In mijn deel van dit meer stonden 67 eucaliptussen (“blue gums”), daar geplant vanwege hun water absorberend vermogen. Een eucaliptus kan een paar honderd liter water per dag aan de grond onttrekken. Het idee om een waterafvoer systeem middels een afwatering aan te leggen was aan de plaatselijke overheid voorbij gegaan, en er was ook geen voorziening voor getroffen in de vorm van het reserveren van een strookje land daar waar het dambo zijn diepste punt bereikte in het betreffende blok percelen aan de zandweg die in de koloniale tijd de Queen Victoria Avenue genoemd werd. Achteraf wel wat grotesque, die benaming.
Mijn plan om in jaar 1 na aankoop een muur aan de achterkant van het erf te zetten moest uitgesteld worden toen in de regentijd de greppel waarin de fundering (“footing”) gestort was eerst vol en vervolgens onder water liep. Je kon er, volgens de verhalen, vissen, maar dat moeten wel kleine visjes geweest zijn.  Na de regentijd moesten eerst de eucaliptussen omgekapt worden.
Hoe dat allemaal in zijn werk ging met is een verhaal op zich. Ik sla dat nu even over. Geloof me, het is gelukt maar het duurde wel geruime tijd om al die bomen om te krijgen. Ik zette een muur om het erf heen, aan de voorkant gedeeltelijk open door dik kippegaas te gebruiken, want ook toen moest je je beschermen tegen inbrekers en rovers. Maar ik wilde ook weer niet in een soort concentratiekamp voor mijn eigen veiligheid opgesloten zitten. Ik verhoogde op strategische punten het land, daar waar het ’t laagst was en al die eucaliptussen gestaan hadden, en groef twee afvoerkanaaltjes. De ene aan de laagste kant van het erf langs de muur, de andere precies door het midden.

Afwateringskanaaltje naar het zuiden door midden van het erf, met latere bebouwing.

Langs de zandweg aan de voorkant groef ik een soort sloot die uit mondde in een “culvert” dat ik met behulp van de gemeente en de buurman aanlegde. Een culvert is een afwateringsbuis onder de weg door. De buurman gaf wat zakken cement, en de plaatselijke overheid een grote cementen buis, type riolering. Daarmee kon het water afgevoerd worden naar de overkant van de weg en aangesloten op een bestaand afwateringskanaal (“drainage ditch”), recentelijk aangelegd bij de bouw van een naburige wijk huizen in land dat nog lager lag dan het mijne.
Afwateringsbuis onder de weg door aangelegd rond 1998. Aan de andere kant van de weg ziet u net de afwateringssloot, tevens gebruikt als vuilnisbelt door de aangrenzende bewoners.
De grond van het oostelijke, hogere deel van het perceel, bestemd tot groente & fruit tuin, bestond uit fijn zand waar niets behalve gras op kon groeien. In een hoek van dat landje lag een termieten heuvel. Die liet ik afgraven om de wat kleiige aarde te vermengen met de zandgrond. Toen begon het planten van bomen, voornamelijk fruitbomen te weten, guava, mango, sinasappel, citroen, lychee en koffie; en de aanleg van de tuin.
Op 1 April 1977 stapte ik over en ging op plot 92 wonen. In mijn uppie.

zondag 21 augustus 2011

Onwettige Behuizing

Aantekeningen uit Zambia:  No 5. Het corrupte gedrag van M. en de zijnen is niet goed te praten. Maar was ik zelf wel zo’n heilig boontje? Vrij van eigen belang in deze? Een historisch en persoonlijk intermezzo gevolgd door het laatste neuws over het huidige bouwschandaal in Choma.

Ik kon niet nalaten me af te vragen waarom ik me zo ergerde aan M.’s illegale bouwactiviteiten. Eén reden was dat wij zo’n tweehonderd meter verderop aan de overkant van de weg ons land hebben, waar we tzt. een huis willen neer zetten, en de kans dat het bouwwerk van M. zich zou ontpoppen tot een afschuwelijke geluidsoverlast producerende bar of disco was in het geheel niet denkbeeldig. En één reden om buiten te gaan wonen was juist het ontvluchten van dergelijk lawaai dat in Choma elke dag door een aantal miserabele bars de lucht in geslingerd wordt. Ik bedacht ook dat M.’s handelen in feite een soort oneerlijke concurrentie was ten op zichte van ondernemers die wel op normale wijze grond verkregen voor hun bouwsels, namelijk door het te kopen. Een andere reden vloeit voort uit een doorlopende irritatie over het gebrek aan regels, of het zich niet houden aan regels, en met name die regels die het sociale verkeer dragelijk moeten maken. Zo heeft, bijvoorbeeld, mijn buurman het pad achter ons blok huizen bij zijn erf getrokken; gewoon door er een muur omheen te zetten. Dat pad, de service road, dient om de telefoondienst en het electriciteitsbedrijf toegang te geven tot de door deze instanties geplaatste bedradingen die aan de dienstweg liggen; zo ook voor de brandweer in geval van brand en de aangrenzende bewoners voor onderhoudswerkzaamheden aan hekken en muren of gewoon om de boel op te ruimen, in dat straatje tussen twee huizen blokken.  
Muur van B. waardoor de ingang tot de "dienstweg" afgesloten is en het 10 meter brede pad aan zijn erf toegevoegd wordt.
Maar was ik nu wel zo’n voorbeeldige gezagsgetrouwe burger met maatschappelijk verantwoordelijksheidsgevoel? Een historische terugblik.

Mijn eerste poging tot academische studie speelde zich te Amsterdam af. Er waren een aantal redenen waarom dat misliep, en één daarvan was het ontbreken van woonruimte. Leven in Amsterdam was een doorlopend ge-ver-huis van de ene tijdelijke ruimte naar de andere, en het werd nog erger toen ik een vriendin begon te hebben. Ik die tijd, eind jaren 60, was dat voor veel mensen nog zondig, en zeker ongewenst, het samen hokken. Veel jongeren hadden hetzelfde probleem, waren dakloos of leiden een nomadisch bestaan in het kennissen, vrienden en familiecircuit.  Duizenden. Daarom sloeg de kraakbeweging aan. Het was geen poging om huur te ontlopen, het was een poging om een dak boven je hoofd te hebben. Er speelde ook wel wat ideologisch gedoe rondom het kraken, maar voor de meeste jongeren ging het om het praktische feit dakloos of niet dakloos te zijn. Ik heb verscheidene jaren in kraakpanden geleefd, drie panden in totaal.

Kraakpand 1 lag in een doodlopend arbeidersstraatje in oost. Mogelijk rondom 1920 neergezet. De huisjes – begane grond + zolder = slaapkamers - moesten plaats maken voor iets groters dat meer geld op zou brengen. Wij kraakten met zijn drieëen twee van deze huisjes. Ze hadden dezelfde in- of opgang en dat was handig. Mijn maatje had bij de marine gezeten en daar had hij wat praktische dingen geleerd die nu goed van pas kwamen. Binnen een dag was er water, hoe hij het deed weet ik niet meer, wel dat er een speciale sleutel voor nodig was om de “valve” in het putje voor het huis open te draaien en die had hij versierd – zoals dat heette in het jargon van die tijd. Spoedig was er ook electriciteit middels illegaal aftappen bij de achtergelegen volkswagen garage. Het kwam niet bij ons op dat er iets mis was of zou kunnen zijn met die gratis voorzieningen. Na een tijdje kwam het waterbedrijf er achter dat wij water hadden zonder officiele aansluiting en zij sloten de kraan af met hun speciale sleutel. Wij draaiden de kraan weer open zodra de mensen van het waterbedrijf vertrokken waren. De belangen van de wettige eigenaar van de panden waren niet zichtbaar binnen onze horizon. Wij leefden daar een paar maanden, alles was reuze leuk en gezellig. Toen stuurde de eigenaar een sloopvrachtwagen op onze woning af die het dak in elkaar ramde. Het was een merkwaardige situatie. Buitenstaanders hadden het recht niet om zonder jouw toestemming of die van de het gerecht je kraakwoning te betreden. Maar je kon wel van buiten het dak de vernieling in beuken.

Op dezelfde wijze verliet ik ook pand 2. Dat betrof maar een kortstondige verblijf in een buurt die overigens helemaal niet leuk was. Het vernielen van het dak vond plaats op een tijd dat ik er niet was en moest daardoor onverwacht mijn doornatte spulletjes per bakfiets verplaatsen.

Pand 3 kraakte ik met een mede student, elk aan 1 kant van de trap, 3 hoog in de Albert Cuyp buurt. Het liep gesmeerd en mijn maatje Jan nam onmiddelijk na het kraken contact op met de eigenaar. Wij boden aan huur te betalen, de eigenaar ging accoord en daarmee was de zaak beklonken. Tot onze opluchting. De gedachte dat we mogelijk een persoon op de reguliere wachtlijst hadden benadeeld kwam niet in ons op.

Mijn toenmalige echtgenote en ik woonden verscheidene jaren in dat pand. De ligging was goed; de markt vlak in de buurt, de oude binnenstad op loop afstand en het was maar een kwartiertje fietsen naar de Rietveld waar ik bezig was met een diploma in het tekenonderwijs. De vloer van het huis had een hellend verloop, mogelijk de reden waarom het pand bestemd was voor de sloop of renovatie. Na het behalen van het diploma verhuisden wij naar Leeuwarden waar ik een deeltijd baan in het onderwijs gekregen had. In Leeuwarden hoefden geen huizen gekraakt te worden. Je kon gewoon iets in de krant vinden. Daar begon mijn leven als sociaal volwassene. Baan, huis, getrouwd, en ja hoor, binnen de korste keren een kind.

***

Nu terug naar M., de grondkraker. Het zag er naar uit dat de bezorgdheid van de Zambiaanse Spoorwegen over het zich alsmaar uitbreidende bestand aan illigale gebouwen op de grond van dezelfde spoorwegen M. alleen maar tot grotere spoed aanzette. Hij dacht kennelijk dat hoe meer er stond, des te moeilijker het zou zijn om de boel af te doen breken. De spoorwegen hadden een paar maanden geleden iedereen die een gebouw op hun grond voor Choma langs de spoorlijk neergezet had een brief gegeven waarin stond dat deze gebouwen binnen twee weken ontruimd moesten worden. Daarna zou er een bulldozer komen om de gebouwen met de grond gelijk te maken. In die tijd waren ze, mensen van het spoor, ook naar het gemeentebestuur gestapt om hun beklag te doen. (Zie het verhaal van Z. in de vorige aflevering).
Ons 8 ha landje ligt schuin tegenover en aan de andere kant van de Grote Weg waar M. zijn bedrijvigheden aan het ontplooien is. Dit is het platteland en je kan daar, zal ik maar zeggen, geen scheet laten zonder dat dit op de een of andere manier een onderwerp van gesprek wordt. Ik vroeg onze landbewerker, Milner, over de activiteiten van M. “Nou,” zei Milner, “toen M. naar dat land toe ging waar hij nu aan het bouwen is woonden daar al een aantal squatters. Hij beviel deze mensen om te vertrekken want hij was de baas van de Counsel (bedoeld wordt de gemeentelijke overheid). Daarna begon hij te bouwen op het land waar hij de squatters vanaf gestuurd had.”
   “Leugens,” antwoordde ik. “M. is niet de baas van de Counsel, maar werkt daar wel als afdelingshoofd. Eigenlijk zou hij Mr Bodza moeten heten, meneer Leugenaar.”

Het verhaal deed ook de ronde dat de buurman van M. op Harmony, ik bedoel de buurman aan dezelfde kant van de weg, ene Mr A. en eigenaar van de graanmalerij alsmede de Verdover van het plaatselijke ziekenhuis, naar Kabwe gegaan was om daar met bevoegde mensen van de Spoorwegen te praten. Die hadden het fiat gegeven om aan de bouwwerken te beginnen, er was niet ongeoorloofs aan. Alles was dus in orde, niets aan de hand, gewoon lekker door gaan.

De buurman van ons landje, de bewoner van plot nummer 4, hield me staande toen we huiswaards keerden. Na de gebruikelijke begroetingen vroeg hij me om een meetlint, hij wilde een groententuin aanleggen. Nchi bracht het gesprek op M. door de buurman te vragen of hij wist wie daar aan het bouwen was, aan de overkant van de weg. Het was M. “Is dat de M. die hier vertelt dat hij de baas van de Counsel is,” vroeg ik.
   “Dezelfde,” gaf de buurman te kennen. “Die man is een probleem. Hij is geschorst wegens het verduisteren van geld bij de gemeente.”
   “Nou, dan zal je broer nog wel met hem te maken krijgen.” besloot ik en vandaar gingen wij naar huis. Buurman’s broer is raadslid van de gemeenteraad van Choma en ook kandidaat voor dezelfde positie bij de aankomende verkiezingen.
Thuis gekomen, terwijl ik bezig ben deze zaak op schrift te stellen, komt Nchi mijn werkruimte binnen lopen. “Het is op’t nieuws” zegt ze, “op Sky radio. Alle gebouwen binnen de 50 meter van het spoor en 20 meter van de Grote Weg moeten ontruimd worden. Er mogen ook geen permanente gebouwen gezet worden op het land tussen het spoor en de weg.”

Er gaat dan toch iets gebeuren. Maar of dit het einde is van de inmiddels opgetrokken bouwwerken valt nog te bezien. En het is zeker niet het einde van de mentaliteit waaraan zij ontsproten zijn. Waarschijnlijk gaan de optrekken van de “kleine luiden” het eerst tegen de grond. De Heer M. en de zijnen, direct verantwoordelijk voor het ingrijpen van de spoorwegen, komen ongetwijfeld het laatst aan de beurt. Ja, en het kan heel goed dat zij dan alsnog de dans ontspringen.

- - - - - - - - - - - - - - - -

© Zamfactor ltd